Een paar weken geleden vertelde ik over de kluwen van parende draadwormen die lijkt op een Gordiaanse knoop. Naar aanleiding daarvan merkte een schrandere lezer op: “Bestaan er ook naaldwormen? Die kunnen dan mooi naaien met de draadwormen.”

Het grappige is dat er inderdaad dieren bestaan die naaldwormen genoemd worden. Dat zijn parasieten die voorkomen in de darm van mensen. Onder andere behoort de aarsworm tot die groep. Dat zijn kleine witte wormpjes die meest bij kinderen voorkomen. ’s-Nachts kruipen ze via de anus naar buiten en gaan daar zitten kriebelen. Waar het kriebelt ga je jeuken en zo verspreidt de worm zich via de handen van het kind. Het is een vies verhaal, maar wel mooie biologie: hoe een parasiet door zijn gedrag en afscheiding van stoffen zijn eigen verspreiding bevordert.

Nu heb ik u in dit stukje al met drie wormen geconfronteerd, aarswormen, naaldwormen en draadwormen, maar voor een bioloog zijn geen van deze drie echte wormen. Aarswormen en naaldwormen zijn rondwormen, een groep die helemaal apart staat van de echte wormen, de regenwormen. Naaldwormen en draadwormen verschillen net zoveel van regenwormen als wij verschillen van bijvoorbeeld, een eikelworm. De splitsing tussen ons en een eikelworm gaat ongeveer net zo ver terug als de splitsing tussen de regenwormen en de naaldwormen.

Ik kan me voorstellen dat het u duizelt maar ik voeg er nog een aantal wormen aan toe die ook geen echte wormen zijn. Denk bijvoorbeeld aan een houtworm. Dat is geen worm maar een kever, tenminste de larve van een kever. Of neem de paalworm, dat is geen worm maar een soort mossel. Ook de oorworm, meelworm, glimworm, spoelworm, platworm, lintworm, pijlworm, eikelworm en hazelworm zijn geen wormen. Daarentegen zijn potwormen en kokerwormen weer wel wormen. Al deze dieren zijn voor een bioloog heel verschillend. Ze horen zelfs tot verschillende stammen van het dierenrijk.

De eerste natuuronderzoekers gooiden alle dieren die eruitzagen als worm op één hoop. Alles wat geen zoogdier, vogel, reptiel, vis of insect was werd samengevat onder de term “wormen” (“vermes”). Deze indeling van het dierenrijk heeft nog stand gehouden tot in de achttiende eeuw. “Vermes” was een klasse van het dierenrijk in de beroemde systematiek van Linnaeus en zelfs de evolutiebioloog Jean-Baptiste Lamarck hield deze term aan. Maar later zagen biologen in dat al die wormen op allerlei punten van elkaar verschilden. De evolutie had ze beetgenomen.

Dat ze in het dagelijks spraakgebruik allemaal worm genoemd worden heeft wel een reden, namelijk ze zijn allemaal lang en dun, zonder poten. De wormvormige lichaamsvorm is talloze malen  onafhankelijk van elkaar ontstaan. Dat een paalworm een wormvormig uiterlijk heeft komt omdat een wormvormig lichaam nu eenmaal de beste vorm is om je door een paal heen te werken, Hetzelfde geldt voor de houtworm en alle andere wormen. De bioloog noemt het “convergente evolutie”: het ontstaan van dezelfde lichaamsvorm bij verschillende evolutionaire lijnen, onafhankelijk van elkaar.

De wormige vorm is een van de meest succesvolle lichaamsvormen in het hele dierenrijk. Overal zitten wormen. De Amerikaanse bioloog Nathan Cobb, die zijn hele leven werkte aan rondwormen, heeft eens gezegd: “Stel dat je alle materie van de aarde weg zou denken behalve de rondwormen. Dan zou je nog steeds de aarde zien, met al haar heuvels en dalen, als een film van wormen”.

Het zou ons sieren als we wat meer aandacht hadden voor de veelheid aan wormen. Elke boer weet dat een vruchtbare bodem veel wormen bevat. Wormen dragen door hun gewurm in de bodem enorm bij aan de instandhouding van een goede bodemstructuur. De planten die in de bodem wortelen, de gewassen die we op de bodem verbouwen, de hele landbouw, de toekomst van de mens, is afhankelijk van de nederige worm.

Facebook Comments