In deze serie wordt steeds een bioloog besproken die ook schrijver is.

Deze keer: Kenneth Grahame

Veel mensen kennen “De wind in de wilgen”. Het is een van de klassiekers onder de kinderboeken, tegelijkertijd een literair meesterwerk. Mol is op een mooie voorjaarsochtend zijn huis aan het schoonmaken, eerst met bezems, dan met stofdoeken, klimmend op ladders en trappen, en in de weer met een borstel met witkalk. Hij komt helemaal onder de witte spikkels te zitten, krijgt er genoeg van en graaft zich dan een weg naar buiten en steekt zijn snuit uit de molshoop. Het zonnetje schijnt op zijn gezicht en hij wordt zo opgewonden dat hij over het gras dolt. Dan komt hij een rat tegen, waarmee hij gaat roeien op de rivier en picknicken op een kleedje. Ze maken kennis met een das en een pad en beleven allerlei avonturen. De pad is een bijzonder figuur, erg afstandelijk, deftig en tegelijkertijd lachwekkend. Alle karakters hebben herkenbare en menselijke eigenschappen, daarom spreekt het zo aan.

Het boek verscheen in 1908 dus het is echt een oudje; het is geschreven door Kenneth Grahame. Ik heb altijd gedacht dat deze man bioloog was, daarom had ik hem ook geselecteerd voor deze rubriek, maar toen ik het ging nazoeken bleek dat niet het geval. Kenneth Grahame, geboren in Schotland, werkte bij de Bank of England, totdat hij op zijn 48ste met pensioen ging en zich terugtrok op het platteland in Cookham, een dorpje aan de Thames. Hij was een kantoorklerk! Maar wel van het romantische type en met schrijftalent.

Ik vroeg me af waarom ik zo zeker wist dat Grahame bioloog was en ik pakte mijn exemplaar van “The Wind in the Willows” er weer bij, dat ik vermoedelijk ergens begin jaren 80 gelezen heb. Mijn boek heeft reproducties van de originele pentekeningen van E.H. Shepard, waardoor de karakters nog meer diepgang krijgen.

Na wat bladeren begreep ik weer waarom Grahame bij mij is blijven hangen als bioloog: hij schrijft niet alleen met veel liefde over de dieren die avonturen meemaken, maar levert en passant ook gedetailleerde beschrijvingen van de natuur. De rat zit op zeker moment met vrienden na te praten over de voorbije zomer en vergelijkt de planten langs de zomerse rivieroever met een optocht van jonge meisjes. Eerst komt Kattenstaart, daarna Wilgenroosje, vervolgens Smeerwortel en Hondsroos, en uiteindelijk Moerasspirea, de mooiste van allemaal en de winnares van de competitie, die het gezelschap in hoogzomer compleet maakt. Om de fenologie van planten te schilderen als een optocht, een soort miss-competitie, is een vondst en het verraadt Grahame’s literaire kracht, maar om ook nog al die plantensoorten met hun biologische eigenschappen, hun geuren en hun verschijning, levendig neer te zetten, daarvoor moet je toch echt bioloog zijn, dacht ik.

Ik zag dat ik in mijn exemplaar van het boek de Nederlandse namen van de planten die Grahame noemt er met potlood bijgeschreven heb; ik moest ze opzoeken want de Engelse plantennamen kende ik niet. Ik herinner me nu dat ik destijds bij het Engelse woord de wetenschappelijke naam zocht in mijn Oxford Concise Dictionary en vervolgens in de Nederlandse Flora de Nederlandse naam. Zo mooi vond ik die optocht van plantenmeisjes dat ik alle details wilde weten. Het deed me denken aan de promenade van bloeiende meisjes van Marcel Proust; dat boek is uit 1918, dus misschien heeft Proust Grahame wel gelezen?

The Wind in the Willows is niet alleen een kinderboek, het is ook een groot literair werk van iemand die bioloog had kunnen zijn. Grahame was ongetwijfeld een kenner van de natuur, iemand als Jan Wolkers, die strikt genomen ook geen bioloog was, maar wel een natuurliefhebber van de bovenste plank.

Gepubliceerd in Natator jaargang 6, oktober 2017

Facebook Comments