De oplettende lezer van mijn column zal het niet ontgaan zijn dat er 2 weken geleden op een Filipijns eiland een nieuwe mensensoort gevonden is en dat ik daar in deze column nog geen melding van heb gemaakt. Zo vaak gebeurt het niet dat er nieuwe mensen worden beschreven, dus u hebt recht op mijn commentaar.

Hij is gevonden op het eiland Luzon in het noorden van de Filipijnen en men noemt hem daarom Homo luzonensis. Denk bij een mens niet aan een volledig skelet, want de vondst bestaat uit zes kiezen, twee teenkootjes, twee vingerkootjes en een stuk dijbeen. Maar goed, dat is in fossielenland niet niks.

Het interessante van de nieuwe soort is dat hij klein lijkt te zijn, voor zover je dat kunt zeggen op basis van kiezen en kootjes. Dat doet denken aan een ander klein mensje, de Floresmens, ook genoemd hobbit, gevonden op het eiland Flores van Indonesië. Over die vondst ontstond aanvankelijk veel onenigheid, maar uiteindelijk werd men het erover eens dat de Floresmens geen Homo sapiens is, maar een afstammeling van een oude mensensoort die onderworpen was aan dwerggroei. Zoiets is met de Luzonmens waarschijnlijk ook gebeurd. De eerste tekenen van menselijke bewoning op de Filipijnen zijn van  Homo erectus, 700.000 jaar geleden. De Luzonmens stamt daar van af maar is net als de Floresmens uitgestorven tegen de tijd dat Homo sapiens in Azië aankwam, 60.000 jaar geleden.

Dat het leven op eilanden leidt tot dwerggroei is bekend. Het wordt mooi beschreven in het boek “Hoe dieren op eilanden evolueren” van Alexandra van der Geer en John de Vos, paleontologen van Naturalis. Op eilanden zie je steeds dezelfde kenmerkende veranderingen optreden, bij allerlei dieren: olifanten, knaagdieren, herten, en bij alle eilanden in hetzelfde patroon: grote soorten worden kleiner, kleine soorten worden groter, de poten worden korter en steviger, de tanden worden langer, de achterste kiezen verdwijnen en het gewei wordt eenvoudiger. Dat ook de mens aan eilandevolutie onderworpen is laat zien dat de mens een dier is onder de dieren. Maar de vraag is wat de oorzaak is van het kleiner worden.

Er is onder biologen een sterke neiging om de dwerggroei op eilanden te zien als een aanpassing. Kleinere mensen hadden een voordeel omdat er op een eiland nu eenmaal minder voedsel voorhanden is dan op het continent. Ik heb deze verklaring altijd twijfelachtig gevonden. Als de grote soorten kleiner worden door voedselgebrek, waarom worden de kleine soorten dan groter? Hebben die wel voldoende voedsel?

Ik kan me nog goed herinneren dat ik op het eiland Flores een tocht maakte naar Liang Bua, de grot waar de Floresmens gevonden is. Die grot ligt bij de plaats Ruteng, midden op het eiland. Vanaf de hoofdstad Labuan Bajo, op de westpunt, deden we er een halve dag over om er te komen, met de auto, via een vrij goede weg. Als je als hobbit in Liang Bua woont moet je een paar weken lopen om er achter te komen dat je op een eiland zit. Zo klein is Flores niet. Het eiland Luzon is zelfs tweeëneenhalf keer zo groot als Nederland. Het is moeilijk voorstelbaar dat dwerggroei van de Luzonmens en de Floresmens evolueerde als aanpassing aan de beperkte voedselbeschikbaarheid.

Het lijkt eerder een gevolg van isolatie. Als je met een kleine groep mensen altijd maar op een eiland zit en geen contact hebt met de rest van de wereld ga je achteruit. De genetische variatie neemt af, de inteelt neemt toe en het ontwikkelingsprogramma raakt ontspoord. Het is geen aanpassing aan voedseltekort maar degeneratie door een te kleine populatie. Een signaal van 60.000 jaar geleden leert ons: houd de ramen open en sluit je niet op in je eigen kleine bestaan want uitwisseling met de rest van de wereld, vers bloed en nieuwe genen, zijn essentieel voor je evolutionaire gezondheid.

Facebook Comments