Rottende onderbroeken
Vorige week was mijn ex-collega Marcel van der Heijden in het nieuws. Hij had de Ig-Nobelprijs gewonnen, een prijs die uitgeloofd wordt voor een hilarisch onderwerp, dat zogenaamd serieus onderzocht wordt. Marcel had een uitgebreide proef gedaan met onderbroeken die door allerlei mensen op verschillende plaatsen in de tuin begraven werden en na 2 maanden weer opgegraven. Dan is het ding half verteerd. Hoe meer verteerd, hoe beter de bodem is. Mensen moesten er een foto van maken en die opsturen. Zo verzamelden de onderzoekers gegevens over de bodemkwaliteit. Het onderzoek werd gedaan in Zwitserland, want daar werkt Marcel, aan de universiteit van Zürich. Hij liet me weten dat er erg veel belangstelling was voor de uitreiking, die ook in Zürich was; de zaal zat vol met 1500 mensen.
Marcel van der Heijden heeft voordat hij naar Zwitserland vertrok, jarenlang aan de Vrije Universiteit Amsterdam gewerkt, in mijn afdeling, vandaar dat een beetje van de eer van de prijs ook op mij afstraalt, vind ik. In die tijd schreven we samen een artikel in een erg goed wetenschappelijk tijdschrift, dat nu mijn meest geciteerde artikel geworden is, niet vanwege mij maar omdat Marcel een top-wetenschapper is. Maar omdat er een tijd was dat ik de “baas” was van Marcel mag ik ook iets zeggen over het onderzoek waar de prijs voor is gegeven, vind ik.
Mijn punt is dat het allemaal al gedaan is en veel beter. Al in 1977 publiceerde de Engelse microbioloog Pamela M. Latter, werkzaam op het Instituut voor Terrestrische Ecologie in Grange-over-Sands een methode die onder bodembiologen bekend is als de katoenstrip-test. Die test is helemaal gestandaardiseerd en werd indertijd veel gebruikt. Het werkt met strippen katoen, ongebleekte calicot-katoen wel te verstaan, die je scheurt in repen van 35 x 10 cm. Die worden met een spade rechtop in de bodem gestoken en na een paar weken weer uitgehaald. Vervolgens meet je de breeksterkte van de strip met een speciaal apparaat dat ook in de kledingindustrie gebruikt wordt. Het komt erop neer dat je de strip in twee houders klemt en dan bepaalt bij welke trekkracht het katoen breekt. Calicot-katoen is een effen geweven stof van 100% katoen, dat betekent vrijwel 100% cellulose, een belangrijk bestanddeel van dode planten. Dus wat je eigenlijk meet is de afbraak van cellulose door bacteriën in de bodem. In een gezonde bodem, met veel verschillende bacteriën, gaat de afbraak snel en als er verontreiniging in zit duurt het langer. Het hangt ook af van het bodemtype, de temperatuur en de bodemvochtigheid, natuurlijk.
Omdat de katoenstriptest werkt volgens een voorgeschreven protocol zijn de resultaten vergelijkbaar tussen verschillende landen en ook herhaalbaar in de tijd. Met het onderbroeken-onderzoek krijg je wel veel resultaten, omdat veel mensen mee willen doen aan zo’n gekkigheid, maar de conclusies die je eruit kunt trekken zijn natuurlijk beperkt.
Pamela Latter was indertijd onder bodembiologen vrij bekend, maar ze zal nu met pensioen zijn. Of ze gereageerd heeft op het onderzoek van Marcel weet ik niet (“Hallo, ik heb dit al gedaan, 50 jaar geleden, en veel beter!”). Maar goed, daar is het een Ig-Nobelprijs voor, dat is nou juist het leuke aan Marcels verhaal en het saaie bij Pamela. Gefeliciteerd Marcel!
